Share on Facebook0Tweet about this on TwitterShare on LinkedIn0

29-3-2016, Belle Bergsma. Over hoe onze interesse in het milieu en milieubeleid zich heeft ontwikkeld tot een wereldwijd milieubewustzijn.

 

Na een periode van verkennen en verdiepen in het klimaatvraagstuk, COP21 in Parijs, het bekijken van de eerste stappen die de overheid nam naar aanleiding van de COP en het bouwen van onze website zetten we voorzichtige stappen in het schrijven van stukken. Er zal een stuk komen over de Klimaatwet, voorgesteld door GroenLinks en PvdA en een stuk over het Plan Bureau voor de Leefomgeving. Binnenkort allemaal te lezen op onze website!

 

Ondertussen volg ik zelf een interessante collegereeks over milieubeleid van Kris van Koppen, universitair docent en wetenschapper aan Wageningen Universiteit. Allerlei onderwerpen, betiteld met dure woorden zoals ‘juridisch instrumentarium’, ‘informational governance’ en ‘communicatieve beleidsinstrumenten’, worden behandeld en blijken helemaal niet zo saai te zijn als hun naam doet vermoeden. Voor mij allemaal nieuwe, interessante en inzichtelijke informatie over het milieuprobleem en milieubeleid, waarover ik eigenlijk nog maar heel weinig bleek te weten. Nieuwe kennis die ik graag aan een breder publiek wil doorgeven via nieuwe artikelen de komende weken!

Deze week een stukje over het ontstaan van de wereldwijde interesse in het milieu en het ontstaan van milieubeleid, want hoe komt het eigenlijk dat we nu overal ter wereld weten van het klimaatprobleem en dat landen het probleem zo belangrijk vinden dat er jaarlijks internationale bijeenkomsten worden gehouden om afspraken te maken om het klimaatprobleem aan te pakken?

De aandacht die we nu voor het milieu hebben is niet altijd zo vanzelfsprekend geweest. Die interesse is met golven steeds groter geworden waardoor we nu in ons dagelijks leven voortdurend bewust en onbewust bezig zijn met het milieu. Zo weten we nu bijvoorbeeld dat het goed is om ons afval te scheiden en betalen we daar ook belasting voor. Hoewel lastig voor te stellen was dit rond 1900 bijna ondenkbaar. De eerste milieugolf vond toen plaats. Voor het eerst kwam er aandacht voor de natuur. In de rijkere landen, zoals de landen in Europa, de Verenigde Staten en Rusland was er een kleine groep rijke mensen die in de steden leefde en zich zorgen maakte over de natuur. De natuur moest beschermd worden zodat de mensen er nog lang van konden blijven genieten. Het ging dus over het behouden en bewaren van het natuurschoon. Door de natuurzorgen van de rijke elite werden er allerlei natuurgebieden opgekocht, zoals het Naarder meer, en op die manier beschermd. Ook werden soorten beschermd, nationale parken opgericht en natuurverenigingen, zoals Natuurmonumenten, die hun oorsprong vonden tijdens deze eerste milieugolf. De verenigingen maakten zich hard voor de natuur en kochten ook delen van de natuur op om te beschermen. En met succes; Natuurmonumenten beheert inmiddels meer dan 100.000 hectare aan beschermde natuur in Nederland.

Rond de jaren zestig ontstaat er een tweede milieugolf, deze keer van een veel grotere omvang waarbij er voor het eerst echt milieubeleid wordt gemaakt. De aandacht verschuift van het behoud van de natuur naar bescherming van de hele ‘leefomgeving’. Het wordt bekend dat chemicaliën (stoffen gebruikt bij het maken van producten) en pesticiden (middelen om planten te beschermen tegen ziektes en beestjes) een slechte invloed hebben op de leefomgeving. De kwaliteit van de grond neemt af en chemicaliën vervuilen de lucht die we inademen. Ook het rapport ‘Limits to Growth’ van de Club van Rome (een stichting opgericht door Europese wetenschappers) komt in die tijd uit, waarin voorspeld werd dat het milieu kapot zou gaan als de wereldbevolking zou doorgroeien en we meer zouden consumeren. Het is nu niet de elite die in actie komt, maar de grote middenklasse maakt zich nu hard voor het milieu. Zij wijzen de kapitalistische industrialisatie als boosdoener aan en protesteren tegen de markteconomie en de bureaucratische staat. Grote milieudebatten vinden voor het eerst plaats in vrijwel alle ontwikkelde landen. Met een positief resultaat: er worden milieuorganisaties opgericht, er ontstaan ministeries speciaal voor het milieu en er komen wetten die het milieu beschermen. Ook gaat er veel meer geld naar milieuonderzoek en ontstaan de eerste milieuopleidingen, zoals hier op Wageningen Universiteit.

Door een grote economische recessie neemt de aandacht voor het milieu een aantal jaren af. Als het vervolgens weer beter gaat met de economie volgt een derde milieugolf met nieuwe aandacht. In 1987 komt een belangrijk rapport uit van de commissie Brundtland. Voor het eerst is de hele wereld betrokken bij het milieu. Er wordt gekeken hoe ontwikkelde en minder ontwikkelde landen met verschillende belangen samengebracht kunnen worden om het milieuprobleem aan te pakken en na te denken over het verdelen van de lasten en lusten van het milieu. Ook wordt het probleem voor het eerst benaderd vanuit een economisch kader, waarbij wordt nagedacht over sociaal economische vooruitgang en de samenhang met milieudegradatie. Milieuproblemen krijgen een steeds grotere omvang, zoals bijvoorbeeld zure regen en verzuring, veroorzaakt door uitlaatgassen uit auto’s, olieraffinaderijen en ook de landbouw. Het bewustzijn van omgevingsproblemen zoals klimaatverandering, het gat in de ozonlaag en het verlies van biodiversiteit groeit verder. Er worden internationale organisaties opgericht en in 1992 is de eerste internationale conferentie over klimaatverandering (UNFCCC) in Rio de Janeiro. Een lijst van principes wordt opgesteld die leidend werd in het denken over internationaal milieubeleid en moest zorgen voor de implementatie van duurzaam nationaal beleid. Er is niet alleen aandacht voor de ecologische kant van het probleem maar ook voor politieke, economische en financiële aspecten van duurzame ontwikkeling.

Opnieuw volgt een periode van economische recessie waarin de aandacht voor het milieu verslapt. Eind jaren negentig komt het milieu weer terug op de agenda; klimaatverandering wordt hèt probleem dat moet worden aangepakt. Ontbossing, overbevissing en consumptiepatronen worden gezien als zeer schadelijk voor het milieu. Nationale staten hebben moeite met een goede aanpak van het probleem en niet statelijke organisaties proberen dat gat op te vullen. Het debat gaat over de noodzaak van globale actie waarbij alle landen mee moeten doen. Er zijn klimaatprotesten tegen globalisering en neo-liberale handel, waarbij de economie de natuur uitbuit. Ook is er voor het eerst een actieve tegenlobby van klimaatsceptici die het klimaatprobleem ontkennen. Organisaties zijn niet meer gebonden aan nationale grenzen maar krijgen een transnationaal karakter. Als gevolg daarvan worden internationale milieuverdragen gesloten zoals het Kyoto Protocol in 1997 en worden verschillende duurzaamheid labels in het leven geroepen. Sommige bedrijven maken een eigen duurzame agenda. In 2002 vindt een grote conferentie plaats over duurzame ontwikkeling in Johannesburg, groots aangepakt en bedoeld om de jaren sinds de conferentie in Rio (1992) te evalueren. De bijeenkomst wordt achteraf echter gezien een flop. Het is niet gelukt om landen milieubeleid echt te laten implementeren en er worden geen concrete toezeggingen gedaan om met schonere energie te produceren. Ook George Bush, president van de Verenigde Staten, weigerde te komen. In 2009 is er op nieuw een teleurstellende conferentie in Kopenhagen, het lukt niet een vervolgverdrag te maken op het Kyoto Protocol en weer worden geen harde afspraken gemaakt. Pas in 2015 in Parijs lukt het om een nieuw ambitieus verdrag te sluiten. We gaan de komende jaren zien of het lukt om op basis van dit verdrag ook daadwerkelijk succesvol milieubeleid te maken en te implementeren.

 

Kortom, sinds de eerste milieugolf begin 20ste eeuw is er heel wat veranderd. Van slechts interesse voor het behoud van bepaalde natuurgebieden zijn er inmiddels grote internationale verdragen, nationale milieuministeries en is er een groot bewustzijn voor het milieuprobleem.

Sinds de tweede milieugolf is er op grote schaal aandacht voor het probleem. Toch is het tot nu toe nog niet echt gelukt om op grote schaal het probleem succesvol aan te pakken. Kennelijk is er al heel wat beleid gemaakt sinds de jaren zeventig, maar is er nog niet heel veel gebeurd. Volgende week meer over wat het lastig maakt om milieubeleid te maken en het succesvol uit te voeren.

 

NB Alle informatie uit dit stuk is gebaseerd op de collegereeks en de bijbehorende collegeslides over milieubeleid van Kris van Koppen, werkzaam als onderzoeker en docent aan Wageningen Universiteit. Als aanvullende informatiebron heb ik het boek ‘The Politics of the Environment’ van Neil Carter gebruikt, waar de collegereeks deels op gebaseerd is.